Vermogensrendementsheffing

Fictief rendement buitensporig

De vermogensrendementsheffing o.b.v. een fictief rendement van 4% leidde in 2014 tot een buitensporige last voor individuele burgers. Dat bepaalde het Amsterdamse gerechtshof in een uitspraak in hoger beroep tegen de vermogensrendementsheffing. Volgens het hof droegen individuele burgers in 2014 meer dan hun ‘fair share’ bij aan de schatkist met de heffing van 1,2% op spaargeld, beleggingen en vastgoed (30% over 4%). Het feitelijk rendement dat belastingbetalers in dat jaar en voorafgaande jaren hadden behaald, maakte dat de heffing niet in verhouding stond met het belang van de Staat om voldoende belasting te innen, aldus de rechters die het een ‘schending van de fair balance’ noemden. Deze uitspraak heeft geen gevolgen omdat het niet aan het hof is om de schade te herstellen die individuele burgers hebben geleden. Regering en parlement moeten dat doen en dienen daar voldoende tijd voor te krijgen, aldus de uitspraak. De eiser – de Bond van Belastingbetalers – gaat in cassatie bij de Raad van State.

Per 01-01-2017 is de vermogensrendementsheffing in box 3 aangepast en zijn er 3 schijven voor het berekenen van het fictief rendement waarover 30% IB wordt geheven.

  • In schijf 1 (t/m €75.000) berekent de fiscus over 67% van het vermogen een rendement van 1,63%, en over de overige 33% een rendement van 5,39%. Gemiddeld: 2,871%.
  • In schijf 2 (€75.001 t/m €975.000) berekent de fiscus over 21% van het vermogen een rendement van 1,63%, en over 79% van het vermogen een rendement van 5,39%. Gemiddeld: 4,6%.
  • In schijf 3 (vanaf €975.001) berekent de fiscus een rendement van 5,39%. Gemiddeld: 5,39%

Bron: FTP Communicatie kennisbrief

U kunt niet (meer) reageren.